‘Ik ben de deur…’ zei Jezus. (Joh. 10:9)
Wat nou als de Here Jezus de achterdeur vertegenwoordigt?

Wie komt, telt. Wie gaat…
Ja, wie was dat ook al weer?

Typerend in verhalen van kerkverlaters is de stilte bij de achterdeur van de kerk. Een stilte die voor veel kerkverlaters spreekt van onvoldoende bewogen leiders en gemeenteleden wiens betrokkenheid niet verder gaat dan een berustend toekijken.

Een en ander versterkt gevoelens van op zichzelf te zijn aangewezen en het niet serieus worden genomen. Een versterkend element is een zekere desillusie ten aanzien van de christelijke gemeenschap: wat familie zou moeten zijn van ‘Onze Vader’, blijkt na kerkverlating eerder trekken van een vereniging te hebben waar lidmaatschap zich beperkt tot deelname aan activiteiten en het kantinemoment na afloop.

Wie kerklidmaatschap opzegt — vooral wanneer er onvrede of conflict in het spel is —moet vaak ook rekening houden met het verwateren of zelfs een afkappen van vriendschappen.

Gevoelens van eenzaamheid en potentiële stress door wegvallen van een belangrijk sociaal netwerk en het onbegrip richting kerkverlaters, versterken het isolement en werken soms zelfs depressie in de hand.

Wat aanvankelijk als een simpele kater van de (mensen van de) kerk begon, kan hierdoor inderdaad uitmonden in een soort ‘posttraumatisch kerksyndroom’, met alle symptomen van dien.

De nonchalance waarmee de impact van het (nood)gedwongen verlaten van een bepaalde kerkelijke gemeenschap wordt genegeerd of zelfs gebagatelliseerd, is typerend. Dit geldt eveneens voor het timide stilzwijgen wanneer een kerkverlater het christelijke geloof in haar totaliteit vaarwel zegt als gevolg van intern of extern conflict.

Omdat er een algehele tendens lijkt te zijn de verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie en de gevolgen daarvan bij de kerkverlater neer te leggen, zou dit tot gevolg kunnen hebben dat iemand helemaal afhaakt van het geloof.

Dit onderzoek bracht in kaart in hoeverre bovenstaande factoren hier inderdaad aanleiding kunnen geven.